zaterdag 1 juli 2017

'Zing met de dement en je bent in het moment'



Zing met de dement en je bent in het moment



Omdat er geen ander moment is dan dat moment.  Er is geen toekomst, er is geen korte termijn geheugen. Er is louter het louterende 'verweghistan' geheugen dat aangesproken wordt en uno momento dado denk je dan: 'Ja we hebben contact.' Het is er en zo is het weer weg, gevlogen, opgestegen in een geest die je niet kent, van de dement. Dat je denkt: Wat denkt ze nou? Waar is ze nou, wat ziet ze nou, wat voelt ze nou?
Muziek doet het brein (op)leven, althans voor even. Dat raakt een snaar. De snaar van de gitaar en de stemmen die helemaal afstemmen op hen.

’t Was aan de Costa del Sol, tingelingeling
Daar sloeg mijn hartje op hol, tingelingeling
Hij sprak mij van amore
Ik was totaal verloren!'

Van de Zangeres zonder naam. Daar heb je het al.
Als wij dit zingen gaan ze open, dansen, klappen in hun handen, wiegen, en lachen. De dichte gezichten lichten op en tandeloze monden mompelen de woorden. Sommigen hebben gevoel voor ritme en dirigeren de boel vanaf hun stoel en je ziet dat ze opgaan in de muziek, ze deinen en walsen.
Zo broos en teer met botjes die bijna breken staat zij op. De dame met de helblauwe oogjes en haar frĂȘle gestalte. Ze danst met mij op ‘O was ik maar bij moeder thuisgebleven’ en je ziet dat zij ooit goed dansen kon!
Achter een pilaar schuilt de deftige dame met argwanende blik. Zij is jaloers op de aandacht die zij op dat moment niet krijgt. En het is nooit genoeg. Want op het moment dat ze wel aandacht krijgt is ze zo gelukkig en stralend dat je haar nooit los wilt laten. Een seconde daarna is ze meteen in een pesthumeur, want dan ben je er even niet voor haar.
Alle emoties zijn uitvergroot.
Alles is echt. Zonder gene. Zonder decorum.
De mannen zijn schaars in het bejaardencircuit. En dat zijn er dan ook maar drie. Drie op de vijftien vrouwen, dat geeft gedoe. Je voelt het als bij een schoolklas in de puberteit. Het gaat om aandacht. Sommigen zien alles. Maar kunnen dat niet uiten. Vluchten kan niet meer denk ik dan. Als je hier eenmaal zit is het wel bekeken. “Kun jij mij helpen, ik moet hier weg!” " Kom maar hoor," lieg, ik, "wij gaan ervandoor." En dan lopen we tien meter en is ze helemaal tevreden. En wat muziek dan doet: het verbindt mensen met elkaar, met zichzelf en met die goeie ouwe tijd toen ze nog liefhadden , 'Huilen is voor jou te laat , ik kom niet meer' en werkten en gezinnen hadden en op zee voeren, in de kroeg zaten ' Daar in dat kleine cafĂ© aan de  haven' of in de kerk 'Tel uw zegeningen'. Zo is er voor ieder wel een speciaal lied te vinden.
 Er zit een chique dame tussen, ze is nu 102 en laat zich echt niks wijsmaken behalve dan de zinsnede : ‘Daar zijn de mensen Gelukkig en Tevree’. Ze spreekt nog maar weinig maar met deze deunen op haar grijze harde schrijf geeft ze flink gas als een pinnig oud wijf. Daarbij trekt ze heel charmant haar rammelende gebit eruit en houdt het wild zwaaiend in haar hand. Ze vindt ook het ‘karretje dat op de Randweg reed’ een steengoed lied en zingt dan plechtig met Aerdenhouts accent: 'Die komt niet meer thuis die vrind, die vrind, die komt niet meer thuis, die vrind.” Applaus van iedereen. Een buiging voor deze koningin van het leven. Want deze mensen hebben alles gegeven en de eindstreep gehaald. Ze zitten daar nu bij elkaar op een kluitje in het riet gestuurd te wachten op een enkele reis ziekenhuis of Driehuis. En dan ben je thuis. Diepe zucht. Dat je niets meer hoeft.
Einde lijk.
‘Ik heb eerbied voor jouw grijze haren’ is ook een moppie dat in goede aarde valt. Want sommigen zijn geverfd en helemaal bij de tijd en dan moeten we toch iets anders zingen als ze niet grijs zijn. Zo is er een dame met op en top verzorgd rood haar, flitsende zonnebril, mooie sieraden en hippe bloesjes en haar zoon die haar trouw bezoekt, van Amsterdamse afkomst. ‘Bij ons in de Jordaan’ zingen we dan spontaan en daar breekt een lach door, zooo mooi! Haar zoon loopt de polonaise en moet je haar zien stralen. Dan gaat hij weer, neemt afscheid, iedere keer weer en zakt ze weg in haar verdriet. “Zal Ronald nog komen?’ vraagt ze dan. “Ja hoor, hij komt zo!”
Hoe snel de dingen weg zijn. Het doet pijn.
De dolende zielen. Hoe onrustig is het.
“Het zijn lopers deze”, zegt de groepsleider, “Maar ze zitten nu al anderhalf uur hier te luisteren en zingen, dat is ongekend”. Hoe mooi is dat. Een beetje rust brengen met muziek en vreugde.
En dan glippen wij weer door de deur met de code.
Dat vind ik het moeilijkste moment, die deur! Dat je dan zo dement als een deur bent en niet meer weet waar je woont of hoe je heet.